maandag, juni 09, 2008
Een stukje Den Haag in Jakarta
Wat is de overeenkomst tussen Den Haag en de Indonesische hoofdstad Jakarta? Wie zijn pen in gif doopt, schrijft: in geen van beide steden wil je wezen.
Zoiets zal ik nooit beweren, zeker niet nu ik zelf in Jakarta ben. Vanavond treed ik hier op voor de Nederlandse gemeenschap, in het gebouw van de ambassade. Zojuist ben ik er geweest voor de soundcheck; naast de poster met de aankondiging van mijn optreden hing een pamflet van de Haagse hogeschool, om Indonesische studenten naar de hofstad te lokken. Overigens wordt de Haagse hogeschool hier doodleuk 'The Hague University' genoemd, wat volgens mij een grove leugen is. Maar alles wordt uit de kast getrokken om bezoekers naar Den Haag te lokken.
De gastvrijheid aan bezoekers van Den Haag moet flink worden verbeterd, zo lees ik. Dat begint met een nieuwe slogan - aha, alweer een slogan: 'Be my guest!'. Een reclamekreet in de gebiedende wijs met een uitroepteken, dat klinkt niet echt gastvrij. Op onze treinstations komen 'cityhosts' te staan, met een bakfiets. Hier in Jakarta stikt het ook van de mensen met een bakfiets. Ze willen je allemaal de weg wijzen, voor een gastvrij tarief. We krijgen 'greeters'. Greeters zijn 'gewone' burgers die toeristen gratis en voor niks typisch Haagse plekjes laten zien. Dit idee is gejat uit Chicago, waar het geen succes was: niet zo vreemd, want er zijn daar natuurlijk geen typisch Haagse plekjes.
Een tapijt aan maatregelen wordt de komende jaren over Den Haag uitgerold: er komt een nieuwe bewegwijzering, een keurmerk voor taxi's, er worden zelfs gastvrijheidstrainingen gegeven op Haagse scholen. Allemaal leuk en aardig, maar ik vrees dat het idee gedoemd is om te mislukken. De gemiddelde Hagenees heeft al te veel ellende aan ze kop om ook nog eens leuk te gaan lopen doen tegen toeristen. En als we leuk doen, doen we dat wel vanuit eigen beweging. Van Aartsen roept dat iedere Hagenees ambassadeur moet worden van zijn stad. Wel, ik doe mijn best. Ik verkondig het Haagse woord vanavond, op de ambassade in Jakarta. Als ik nou nog geen ereburger wordt, weet ik het ook niet meer.
Zoiets zal ik nooit beweren, zeker niet nu ik zelf in Jakarta ben. Vanavond treed ik hier op voor de Nederlandse gemeenschap, in het gebouw van de ambassade. Zojuist ben ik er geweest voor de soundcheck; naast de poster met de aankondiging van mijn optreden hing een pamflet van de Haagse hogeschool, om Indonesische studenten naar de hofstad te lokken. Overigens wordt de Haagse hogeschool hier doodleuk 'The Hague University' genoemd, wat volgens mij een grove leugen is. Maar alles wordt uit de kast getrokken om bezoekers naar Den Haag te lokken.
De gastvrijheid aan bezoekers van Den Haag moet flink worden verbeterd, zo lees ik. Dat begint met een nieuwe slogan - aha, alweer een slogan: 'Be my guest!'. Een reclamekreet in de gebiedende wijs met een uitroepteken, dat klinkt niet echt gastvrij. Op onze treinstations komen 'cityhosts' te staan, met een bakfiets. Hier in Jakarta stikt het ook van de mensen met een bakfiets. Ze willen je allemaal de weg wijzen, voor een gastvrij tarief. We krijgen 'greeters'. Greeters zijn 'gewone' burgers die toeristen gratis en voor niks typisch Haagse plekjes laten zien. Dit idee is gejat uit Chicago, waar het geen succes was: niet zo vreemd, want er zijn daar natuurlijk geen typisch Haagse plekjes.
Een tapijt aan maatregelen wordt de komende jaren over Den Haag uitgerold: er komt een nieuwe bewegwijzering, een keurmerk voor taxi's, er worden zelfs gastvrijheidstrainingen gegeven op Haagse scholen. Allemaal leuk en aardig, maar ik vrees dat het idee gedoemd is om te mislukken. De gemiddelde Hagenees heeft al te veel ellende aan ze kop om ook nog eens leuk te gaan lopen doen tegen toeristen. En als we leuk doen, doen we dat wel vanuit eigen beweging. Van Aartsen roept dat iedere Hagenees ambassadeur moet worden van zijn stad. Wel, ik doe mijn best. Ik verkondig het Haagse woord vanavond, op de ambassade in Jakarta. Als ik nou nog geen ereburger wordt, weet ik het ook niet meer.
Brullen voor Oranje - in Brunei
Met een koffer vol vraagtekens arriveerde Marco van Basten in Zwitserland, zo lees ik. Grappig: we dragen dezelfde koffer. Alleen zit ik niet in Zwitserland, maar in Maleisie. Wel maken we ons druk over hetzelfde probleem: de opstelling. Bij van Basten gaat het om de spelers, bij mij gaat het om de volgorde van mijn optreden.
Ik bevind mij thans in hotel Equatorial, in de Maleisische metropool Kuala Lumpur. Buiten is een hels onweer uitgebarsten. Ik heb nog een uurtje om na te denken over de inhoud van mijn voorstelling. Die moet anders zijn dan de opstelling in Nederland, wat het een beetje lastig maakt. Eind mei sluit het theaterseizoen; voor een cabaretier die 140 theatershows per jaar doet, is dat een ramp. Ik kan niet meer spelen. Vandaar dat ik het aanbod om een tour door Azie te doen met beide handen heb aangenomen. Kuala Lumpur is de eerste show; de komende weken volgen nog andere plaatsen, zoals Jakarta, Miri (ligt op Borneo) en Brunei.
Van Basten heeft het moeilijk, maar ik ook. Er is een groot verschil tussen optreden in Nederland en optreden elders. Sommige zaken zijn gewoon niet interessant; Wilders, Verdonk, hangjongeren, trajectcontroles – vergeet het maar. Improvisatie is de oplossing, zowel voor mij als voor Marco. Roeien met de spelers die je hebt. Dus zal ik het hebben over het EK. De outfit heb ik al: van de firma Blokker heb ik een stapeltje brul-shirts meegekregen. Toen ik onlangs bij het afscheid van hun algemeen directeur optrad, en vertelde dat ik naar Azie vertrok om de Nederlandse gemeenschap te vermaken, verzuchtte Jaap Blokker zelve: 'Leuk, maar niet zonder onze t-shirts!'
Wellicht leuk om even bij stil te staan: straks zitten niet alleen in Nederland, maar op vele plekken in de wereld, Hollanders voor de buis te brullen. Vaak in het holst van de nacht. Terug naar de realiteit: zojuist is er vanuit de lobby gebeld, door het organisatiecomite. Ze vroegen of ik er problemen mee heb als er tijdens mijn optreden foto's worden gemaakt. 'Als de camera's niet te duur zijn: geen probleem', heb ik geantwoord.
Ik bevind mij thans in hotel Equatorial, in de Maleisische metropool Kuala Lumpur. Buiten is een hels onweer uitgebarsten. Ik heb nog een uurtje om na te denken over de inhoud van mijn voorstelling. Die moet anders zijn dan de opstelling in Nederland, wat het een beetje lastig maakt. Eind mei sluit het theaterseizoen; voor een cabaretier die 140 theatershows per jaar doet, is dat een ramp. Ik kan niet meer spelen. Vandaar dat ik het aanbod om een tour door Azie te doen met beide handen heb aangenomen. Kuala Lumpur is de eerste show; de komende weken volgen nog andere plaatsen, zoals Jakarta, Miri (ligt op Borneo) en Brunei.
Van Basten heeft het moeilijk, maar ik ook. Er is een groot verschil tussen optreden in Nederland en optreden elders. Sommige zaken zijn gewoon niet interessant; Wilders, Verdonk, hangjongeren, trajectcontroles – vergeet het maar. Improvisatie is de oplossing, zowel voor mij als voor Marco. Roeien met de spelers die je hebt. Dus zal ik het hebben over het EK. De outfit heb ik al: van de firma Blokker heb ik een stapeltje brul-shirts meegekregen. Toen ik onlangs bij het afscheid van hun algemeen directeur optrad, en vertelde dat ik naar Azie vertrok om de Nederlandse gemeenschap te vermaken, verzuchtte Jaap Blokker zelve: 'Leuk, maar niet zonder onze t-shirts!'
Wellicht leuk om even bij stil te staan: straks zitten niet alleen in Nederland, maar op vele plekken in de wereld, Hollanders voor de buis te brullen. Vaak in het holst van de nacht. Terug naar de realiteit: zojuist is er vanuit de lobby gebeld, door het organisatiecomite. Ze vroegen of ik er problemen mee heb als er tijdens mijn optreden foto's worden gemaakt. 'Als de camera's niet te duur zijn: geen probleem', heb ik geantwoord.




